Kinderlijkje

De familie De Klerk – vader is koetsier bij een expediteursfirma – van Commelinstraat 106 heeft twee zoontjes, één van zes en één van zeven. Beide broertjes verlaten op maandag 29 september 1913 de ouderlijke woning om, in plaats van naar school te gaan, stekelbaarsjes te gaan vangen aan de Mauritskade. Daarna  wandelen ze naar hun grootmoeder in de Tuinstraat, en na hun bezoek door naar het IJ, waar ze stekeltjes willen vangen aan de De Ruyterkade.  Naar het verhaal van het oudste broertje worden ze daar aangesproken door een aardige man – type werkman –  met een geel gekleurde jas en broek, een pet, zwarte schonen en zonder boord, die hun peren en een stuk chocola aanbiedt. De man, die zegt zelf ook in de Commelinstraat te wonen, vraagt aan het jongste broertje of hij met hem mee gaat op de Tolhuispont, naar de E.N.T.O.S. [Eerste Nederlansche Tentoonstelling op Scheepvaartgebied, in 1913 achter het Tolhuis red.]. Het oudste broertje moest maar even wachten tot zijn broertje terug kwam. Als het broertje om acht uur nog niet terug is, gaat zijn oudere broertje terug naar de Commelinstraat. Maar daar is de jongen ook niet. De te hulp geroepen politie start direct een onderzoek.

Op donderdag 2 oktober 2013 wordt in een greppel in de Buiksloterham in Amsterdam Noord, 50 meter van de dijk richting het IJ, het op de rug liggend lijkje van de zesjarige gevonden. Er zijn veel sporen van geweld te zien op het lichaam van het kind, dat gewurgd is met zijn eigen stropdasje. De kleertjes zijn daarbij erg in de war. Iemand heeft zij wellust op het kind botgevierd. Er zijn echter geen sporen van de dader. Ook de politiehond kan niets uitrichten. De enige aanwijzing zijn enkele lucifers die bij het lijkje liggen en afdrukken van mannenvoetstappen in de greppel. Het lijkje wordt door de vader, vergezeld van een buurman, geïdentificeerd en ter schouwing overgebracht naar het Binnen Gasthuis. De consternatie in de Commelinstraat is enorm na het bekend worden van het nieuws.

Dezelfde avond komt een jongen zich aanmelden bij politiebureau Warmoesstraat. Hij vertelt dat ook hij die maandagavond op de Nieuwe Zijds Voorburgwal was aangesproken door een man, die vertelde werkzaam te zijn bij de Maatschappij Nijverheid en die hem vroeg met hem mee te gaan naar E.N.T.O.S. De jongen had dit echter geweigerd. Wel heeft hij een nader signalement van de man. Er verschijnen meer jongens die een verklaring geven, aldus het Algemeen Handelsblad van 3 oktober 1913:

Zoo vertelde een veertienjarige zettersjongen aan de politie, dat hij Maandagmiddag omstreeks twee uur op den N.Z. Voorburgwal voor het gebouw van het “Handelsblad” was aangesproken door een man, die hem vroeg of hij mee wilde gaan naar de Entos. De knaap gaf te kennen, dat hij moest werken, waarop de man zei, dat de jongen, als hij ontslagen werd, bij hem op de fabriek “De Nijverheid” zou kunnen komen werken. Een oudere jongen was er bijgekomen en dezen had de man hetzelfde voorstel gedaan. Om te laten zien, dat hij geld had, had de man een papiertje uit den zak gehaald, dat volgens zijn zeggen een bankbiljet van f 25 was. Toen de jongens niet medegingen, had de man zich verwijderd in de richting van het postkantoor. Ook de tweede jongen werd reeds door commissaris Fundter gehoord. Volgens dezen jongen had de man gezegd werkzaam te zijn op de draadfabriek “De Nijverheid”.

Het signalement, door beide jongens gegeven, wijkt eenigszins af van dat, door het zevenjarig broertje van den vermoorden knaap verstrekt. Volgens hen droeg de man een sportpet, een gele jas, geen boord, een zwarte broek en zwarte schoenen. Hij was ongeveer 30 jaar, mager en had een zwarten knevel. Hij rook naar jenever en scheen, te oordeelen naar zijn waggelenden gang, onder den invloed van sterken drank te verkeeren. (Volgens het zevenjarig broertje had de man géén snor.)

Andere knapen kwamen bij de politie vertellen, dat zij Dinsdag op straat waren aangesproken door een onbekenden man. Ofschoon de politie geen groote waarde hecht aan deze verklaringen voor de opheldering der zaak, worden de mededeelingen der jongens toch op schrift gesteld.

Nu komt er een nieuwe verklaring van het zevenjarig broertje. De man die zijn broertje meelokte, is volgens hem brouwersknecht op een wagen die hij wel eens gezien heeft in de Commelinstraat.

De verhalen op politiebureau Warmoesstraat blijven binnenstromen. Zo verklaart koopman in ongeregelde waar van de Rustenburgstraat Lehman Lierens dat zijn dochtertje door een als werkman gekleed individu was meegenomen naar een braakliggend terrein, maar opgemerkt was en door de politie gearresteerd. Later werd deze persoon weer vrijgelaten, maar volgens Lierens kwam zijn uiterlijk opmerkelijk overeen met het uiterlijk zoals beschreven door het zevenjarig broertje.

Donderdagmiddag wordt omstreeks half zes in een café in de Indische Buurt een man gearresteerd die door de politie verdacht wordt de moord te hebben gepleegd, vanwege bepaalde uitlatingen. Genoemd zevenjarig broertje weet hem op het politiebureau echter niet te herkennen. Deze beweert nu dat de gezochte moordverdachte op een aap lijkt.

In Purmerend wordt ook iemand opgepakt, die kinderen peren zou hebben aangeboden om ze mee te lokken. Feitelijk blijkt de verdachte de peren aan zijn eigen twee nichtjes te hebben gegeven, die hem naar het station hadden gebracht. Zo is de zoektocht naar de dader vruchteloos.

De begrafenis op de Nieuwe Oosterbegraafplaats is op dinsdag 7 oktober 1913. De stoet vertrekt om kwart voor tien uit de Commelinstraat. De Telegraaf doet verslag van het gebeuren.

Slechts met groote moeite baanden de rijtuigen zich een weg door de duizendkoppige massa, die de trottoirs en den rijweg vulde. Nadat het kistje in den lijkkoets geplaatst was en eenige kransen, waaronder van de buren, aan het zwarte laken waren bevestigd, vertrok de sombere stoet, nagestaard door de meewarige blikken van de menigte. De stoet werd voorafgegaan door eenige politie-agenten, die moeite hadden in de volkrijke buurt ruim baan te maken.

De lijkkoets werd gevolgd door 15 witgehandschoende knaapjes, allen netjes in ’t zwart gekleed. ’t Waren de klassegenootjes van hun ongelukkig makkertje, dat ze thans naar zijn laatste rustplaats geleidden. Omstuwd door een geweldig aantal menschen, trok de sombere stoet door de Linnaeusstraat en door Watergraafsmeer naar de Nieuwe Oosterbegraafplaats, waar zich eveneens duizenden hadden verzameld.

Een aantal agenten der Amsterdamsche politie, eenige beambten der begraafplaats, alsmede een tweetal politiedienaren uit Watergraafsmeer, die welwillend assisteerden, hadden moeite de menigte op een eerbiedigen afstand van het pas gedolven graf te houden. Tusschen de menschen bevoond zich een groot aantal rechercheurs.

De lijkbaar werd gevolgd door de ouders, grootouders, het zevenjarig broertje van het knaapje, ds. J.H. Wiersma, predikant bij de Nederduitsch Hervormde gemeente, benevens eenige buurvrouwen. Toen de rouwstoet langs de paden van het kerkhof trok, steeg een meewarig gemompel uit de menigte op bij het zien der totaal gebroken ouders, die snikkend hun kind naar de begraafplaats geleidden. Dank zij de doelmatige afzetting, waarvoor de hoofdopzichter der Nieuwe Oosterbegraafplaats, de heer Mesjes, zorg had gedragen, deed zich niet de minste wanordelijkheid voor. De doodsche stilte, die er heerschte toen het kistje in het kille graf gelaten werd, werd slechts verstoord door het eentonig getik der regendroppels en de onderdrukte snikken der omstanders.

Hierna nam ds. Wiersma het woord. “Wie is hij? Waar houdt hij zich schuil, de wellusteling, de moordenaar van dit onschuldige knaapje?” riep spr. met stemverheffing uit. “Amsterdam, Nederland, Europa, ja zelfsch de gansche beschaafde wereld is ontroerd, bij het vernemen van deze schrikkelijke misdaad. Wee, driemaal wee, den moordenaar.” “Maar”, vervolgt spr., zich tot de omstanders wendende, “ik ben niet gekomen om hem te vloeken en ik hoop van ganscher harte, dat alle lust tot wraak bij u onderdrukt moge worden. O, God, gedenk dien zondaar, wijs hem spoedig aan, opdat hij valle in de handen van de rechters, die hem recht zullen doen.” “In naam van duizenden spreek ik een woord van hartelijke deelneming tot de ouders en de grootouders van dit ongelukkige jongske. Arme grootvader, arme vader, dit hadt ge in uw leven nooit kunnen denken. Laat echter den moordenaar rusten, beveel hem Gode aan, die gezegd heeft: “Mij is de wrake.” “Diepen indruk moet de moord gemaakt hebben op allen, die tevens ervaren hebben hoe diep de zonde is. O, driemaal gevloekt zijn zij, die leven buiten God. Laat dit een diepen indruk maken op hen. Ik word ontroerd bij het gezicht van zooveel knaapjes, die hun makkertje zijn gevolgd.”

Ds. Wiersma wendt zich thans tot de schoolmakkertjes.

“Lieve jongens, gij staat nu aan het open graf van uw kameraadje. Wel begrijpt ge niet ten volle wat er met dit jongske is geschied. Ge weet, dat hij mee ging met een vreemdeling. Ik bid van God, dat ge aan dit graf zult beloven, dat ge nooit, nooit met een vreemden man zult meegaan. Denkt aan uw vader en uw moeder; wat zouden zij wel zeggen, welke smart zouden ze ondervinden, wanneer ge niet meer thuis kwaamt. En ge houdt toch van uw vader en moeder, nietwaar? Belooft ge me dat?”

Toen een der knaapjes knikte, vervolgde spreker goedkeurend: “Jij bent een flinke jongen. Mogen jullie allen lang en gelukkig leven.”

Spr. richt thans eenige woorden tot de aanwezite buren en noemt de belangstelling van de buurt voorbeeldig. “Gij hebt gearbeid, gij hebt geloopen, gij hebt medelijden getoond jegens die diep getroffen ouders. Gij hebt in overvloedige mate de bewijzen van deelneming op deze groeve neergelegd. In volle straten heb ik medeleven in het lijden geconstateerd, al is dit door velen misschien niet diep gevoeld. Namens de ouders en buren dank ik u allen.”

“Reeds 48 jaren heb ik onder allerlei omstandigheden aan graven gestaan, maar nog nooit heb ik zulk een deelneming aangetroffen. Ziet, er is toch iets goeds in de harten van ons volk.”

Tot alle aanwezigen roept spr.: “Gedenk, dat het leven kort is. Men is geneigd te zeggen: Laat ons eten, drinken en vrolijk zijn, want morgen zijn we er niet meer. Dezulken zijn reeds geestelijk dood. Neen, laat ons vragen naar den Heiland, die gesproken heeft: “Vreest niet, Ik zal met u zijn.”

Tot slot zegt ds. Wiersma: “Rust zacht, onschuldig, arm knaapje. God zij met u, uw vader en grootvader. Amen.”

Nadat het broertje bloempjes op het graf had gestrooid, wendt de spr. zich tot de schare en zegt: “Gaat nu allen heen, in naam des Vaders, des Zoons en des Heiligen Geestes.”

Diep geroerd verlieten allen den doodenakker.

Op 15 oktober 1913 spreekt de schamel geklede 36-jarige los werkman Franciscus Dijkman om 5 uur ’s ochtends op straat een politieagent aan met de mededeling verantwoordelijk te zijn voor de moord op het jongetje De Klerk. De man woont op de Rozenstraat 63 en verklaart door wroeging tot zijn bekentenis gedreven te zijn. Hij geeft een gedetailleerd verklaring af van het gebeurde, maar wekt enigszins de indruk niet volledig bij zijn verstand te zijn. Daarbij: het zevenjarig broertje, dat door de politie wordt opgehaald om Dijkman te bekijken, herkent hem in het geheel niet als de dader. Nader onderzoek wijst in eerste instantie uit dat Dijkman een uitstekende reputatie heeft en op allerlei wijzen niet voldoet aan het profiel van de moordenaar. Daarbij bekent Dijkman de moord, maar ontkent ten stelligste ontuchtige handelingen te hebben gepleegd, die echter wel gepleegd zijn. De politie staat voor een raadsel, houdt Dijkman voorlopig vast, en zet het onderzoek voort.

Er komen aanwijzingen dat Dijkman mogelijk toch de dader is. Zo is op de dag van de moord een man van de pont afgezet die onder invloed van sterke drank ruzie kreeg met de pontbaas. Twee agenten beweren positief dat zij deze man als Franciscus Dijkman herkennen. Hij zou hen bij zijn vrijlating honend hebben toegevoegd: “Als jelui wisten wat ik gedaan had, zou jelui met niet laten gaan.”

Dijkman is een los werkman die vroeger in de Duitse mijnen werkte, maar tegenwoordig door het bezorgen van vrachtjes wat tracht te verdienen. Hij helpt ook wel eens op de groentemarkt en assisteert soms bij een groentenwinkel in de Wagenaarstraat, aldus zijn moeder. Dijkman woont bij haar in en is de oudste van drie ongehuwde zoons. Wel heeft hij verkering gehad in het verleden.

Nader onderzoek wijst uit dat Dijkman op de dag van de moord niet is op komen dagen op zijn werk, op de Stoomwasserij “De Nijverheid” in de Bellamystraat. Dijkman blijkt hier sinds augustus naar voldoening gewerkt te hebben, totdat hij op maandag 22 september voor de eerste keer een dag wegbleef en de volgende dag met een vage smoes kwam. Op maandag 29 komt hij weer niet opdagen. Zijn moeder meldde desgevraagd aan de door de eigenaar gestuurde loopjongen, dat Frans op stap was en gedronken had… Sindsdien was Frans niet meer komen opdagen bij “De Nijverheid”. Verdacht allemaal. De gedetineerde Dijkman intussen lijkt niet erg voor rede vatbaar en komt nu met een verhaal dat hij al vijftien jaar in Duitsland de gevangenis zou hebben gezeten. Volstrekt onduidelijk blijkt echter waarvoor dan wel.

Nu komt een voormalig hospita van Frans naar voren, mejuffrouw Schools van de Lange Leidschedwarsstraat 138 met een verklaring. Frans was in de zesweekse periode dat hij bij Schools in de kost was geweest, zaterdag en zondag doorgaans stomdronken was. Hij ontzag  dan niemand, sloeg zijn meisje en braakte gedurig allerlei dreigementen uit. Ook was hij tijdens een ruzie een keer naar beneden gelopen naar een nabijliggend bierlokaal en had om een mes gevraagd, wat hem wegens zijn dronkenschap niet was gegeven. Schools had hem daarna gevraagd naar een ander adres uit te zien. Wel moest zij toegeven dat Frans nooit enige vinger uit had gestoken naar het zesjarig dochtertje van Schools dat in dezelfde kamer sliep.

De bewijslast blijft niet overtuigen, ook al blijkt ook Dijkman een geelachtige jas te hebben, net als de vermoedelijke moordenaar. Kranten speculeren openlijk over zijn mogelijke onschuld, met name nadat ook de twee andere jongens die door de vermoedelijke moordenaar waren aangesproken om mee te gaan naar de E.N.T.O.S., bij confrontatie beiden los van elkaar expliciet ontkennen dat Dijkman die man zou zijn geweest. De politie besluit nu een onderzoek te doen instellen naar de geestesgesteldheid van Dijkman, die zelf zeer nadrukkelijk zijn schuld blijft volhouden. Voorlopig wordt zijn hechtenis verlengd.

Eind november 1913 lijkt er sprake te zijn van een doorbraak. Dijkman wijzigt zijn verklaring en meldt zichzelf alleen beschuldigd te hebben om maar in de gevangenis terecht te komen, waarvan hij zelf vond dat hij er thuishoorde wegens zijn wangedrag op het gebied van drankmisbruik.

Dat wat betreft Dijkman. Inmiddels is er een nieuwe verdachte op het oog. Juffrouw Nieuwenburg uit Nieuwendam zoekt contact met de politie en doet een verklaring over een Italiaans-achtige man die bij haar op de middag van 29 september een bootje roeibootje had gehuurd en een verdachte indruk had gemaakt. Tegelijkertijd komt er een verklaring van een beambte van de Oosterbegraafplaats, die onlangs was aangesproken door een man met een vergelijkbaar uiterlijk, die vroeg naar het graf van de jonge De Klerk. Kortom, de verdenking tegen Dijkman lijkt niet langer houdbaar en het onderzoek wordt weer voortgezet.

Maar tevergeefs. Er komen nog enige verdachten in beeld, maar de moordenaar wordt, voor zover wij kunnen achterhalen, nooit gevonden.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s